Interview met Luuk Crins

Gebitsslijtage hoort erbij!

Afbeelding
Foto: Joost Hoving
Interview

Luuk Crins werkt als tandarts-algemeen practicus in een verwijs- en groepspraktijk in Nijmegen en is tevens werkzaam als tandarts-docent en tandarts-onderzoeker bij het Radboudumc. Hij is sinds april 2024 redacteur van het NTVT.

Op welk vlak ligt jouw specialisatie?

Minimaal invasieve restauraties bij patiënten met ernstige gebitsslijtage, een complexe patiëntengroep. Het toffe aan dit specialisme is dat er veel deelgebieden samenkomen, zoals esthetische, preventieve, restauratieve en adhesieve tandheelkunde.

Wat is de belangrijkste ontwikkeling binnen je vakgebied op dit moment?

De vaststelling dat het slijtageproces bij patiënten met ernstige gebitsslijtage, bij afwezigheid van klachten, doorgaans zeer traag verloopt. Bij deze patiëntengroep wordt vaak gedacht dat de slijtage snel verloopt. Hierdoor worden tandartsen getriggerd om restauratief te behandelen. De patiënten in ons onderzoek hebben allen een hoge(re) mate van slijtage. Patiënten die geen hulpvraag hadden, hebben we vervolgd om de progressie van gebitsslijtage vast te stellen. Conclusie? Traag! Tegen het fysiologische aan.

Wat houdt je in je werk bezig op dit moment?

In de praktijk ben ik bezig met algemene tandheelkunde en restauratief herstel van gebitsslijtage en amelogenesis imperfecta. Naast mijn onderzoek aan de universiteit ondersteun ik medeonderzoekers en ben ik medeverantwoordelijk voor de invulling van het slijtageonderwijs dat nu een prominente plek krijgt in het curriculum. Hierbij krijgen studenten een uitgebreide cursus in het opbouwen van gesleten gebitten en curveherstel met composiet. Noem het maar een robuuste training met composiet.

Welke recente NTVT-publicatie is je het meest bijgebleven en waarom?

Het artikel in de februari-editie van dit jaar over de (eindeloze) discussie of je beter een directe of indirecte restauratie kan plaatsen (als coronale afsluiting). Dit artikel laat zien dat meerdere technieken en materialen geschikt zijn voor restauratief herstel. Het ene is niet per se beter dan het andere. Dat past ook bij mijn overtuiging dat de meeste huidige restauratieve tandheelkundige materialen van hoge kwaliteit zijn. Laat ik het zo stellen: werkt het voor jou? Dan is het goed. ‘Hoe’ vind ik minder interessant dan ‘wanneer’ of ‘waarom’.

Wat is het eerste dat je leest als de NTVT in de brievenbus ligt?

De excerpten van internationaal onderzoek. Lekker kort.

Wat is je belangrijkste boodschap aan de beroepsgroep?

Als we op populatieniveau kijken naar de ontstaanswijze van gebitsslijtage dan zijn niet mechanische maar chemische processen oververtegenwoordigd. Andere onderzoekscentra in Europa observeren dat ook. Zie je een patiënt met (veel) gebitsslijtage, dan heeft het waarschijnlijk een chemische oorsprong. Ook wanneer de slijtage er ‘mechanisch’ uitziet door de aanwezigheid van (glimmende) slijtfacetten. Chemische processen versnellen mechanische processen. Ook als die mechanische processen van fysiologische aard zijn. Daardoor ben ik er momenteel van overtuigd dat splinttherapie ter preventie van gebitsslijtage bij de meeste patiënten ook niet effectief is. Dus ook niet als er glimmende slijtfacetten zijn.

Wanneer heb je voor het laatst zelf een wetenschappelijk artikel geschreven en waar ging het over?

Dat was dit jaar en het ging over de mechanische eigenschappen van verschillende materialen die getest zijn in het slijtageonderzoek van het Radboudumc. Hier hebben we in het laboratorium exact dezelfde materialen gebruikt als in de kliniek en gekeken naar sterkte, weerstand tegen vermoeiing en weerstand tegen slijtage. Deze uitkomsten heb ik vergeleken met de klinische resultaten. Met dit translationele onderzoek heb ik een brug proberen te slaan tussen het laboratorium en de kliniek. De belangrijkste boodschap was dat een specifieke composiet, Estenia C&B, zowel klinisch als in het laboratorium minder bestand was tegen vermoeiing.