Tanden des tijds: onderzoek van gebitten en tanden uit archeologische opgravingen

View the english summary Open PDF (337.71 KB)

Het doel van de archeologie is kennisvorming over het menselijk verleden. Een archeoloog houdt zich bezig met de materiële overblijfselen, hoofdzakelijk afkomstig uit de bodem. De beste informatiebron voor het menselijk gedrag en de vroegere leefomstandigheden van de mens zijn grafvelden. Behalve als bron voor culturele informatie, bieden zij met goed geconserveerde skeletten grote mogelijkheden voor biochemisch en genetisch onderzoek. Vooral het gebit kan een schat aan informatie opleveren over het leven van onze voorouders. Met DNA-analyse kunnen het geslacht en genetische verwantschappen worden bepaald, maar ook de buitenkant van de gebitselementen levert informatie op over geslacht, leeftijd en genetische verwantschap en uiteraard over het gebruik van het gebit. Er worden voortdurend nieuwe ontdekkingen gedaan en nieuwe (bio-)archeologische analyses uitgevoerd.

Leerdoelen
Na het lezen van dit artikel hebt u een overzicht:
- van het gebitsonderzoek aan menselijke skeletten;
- van de mogelijkheden van geslachts- en leeftijdsbepaling aan het gebit;
- en van genetische verwantschap.

Inleiding

Met dit artikel wordt beoogd een overzicht te geven van het gebitsonderzoek aan menselijke skeletten, in het bijzonder in archeologische context. Daarbij staan de gebitselementen van de moderne mens centraal. De moderne, denkende mens, Homo sapiens sapiens, bewoont West-Europa al zo’n 40.000 jaar. De oudst bekende begravingen van directe voorouders van de hedendaagse mens dateren in Europa van ongeveer 25.000 tot 30.000 jaar geleden. In sommige gevallen zijn hun skeletten goed bewaard gebleven en kunnen hun gebitten worden bestudeerd, bijvoorbeeld om ze te vergelijken met die van de huidige mens. Zoals blijkt uit de recente vondst van 47 losse gebitselementen in China (80.000 tot 120.000 jaar oud) zijn de gebitselementen van de vroegere Homo sapiens groter, maar qua morfologie niet erg verschillend van die van de hedendaagse mens (Liu et al, 2015). Dit in tegenstelling tot het gebit van de Neanderthaler, dat metrisch en morfologisch sterk afwijkt van het gebit van de moderne mens (Bailey, 2002). De grootte van de menselijke gebitselementen is de laatste millennia afgenomen. Mogelijk hangt dit samen met de trend naar een minder robuust skelet met minder spieren (Hillson, 1996). Doordat de mens steeds betere gereedschappen en jachtwapens ging maken en vanaf 10.000 jaar geleden naar landbouw overschakelde, werd brute spierkracht mogelijk minder belangrijk. Over de evolutionaire processen die hieraan ten grondslag liggen bestaat nog veel onduidelijkheid.

Archeologisch onderzoek

Het doel van de archeologie is kennisvorming over het menselijk verleden. Een archeoloog houdt zich bezig met de materiële overblijfselen, hoofdzakelijk afkomstig uit de bodem. De beste informatiebron voor het menselijk gedrag en de vroegere leefomstandigheden van de mens is een grafveld. Een graf is een bewuste depositie. Binnen een bepaalde cultuur is vast omschreven hoe en waar er begraven wordt, hoe het lichaam wordt behandeld (gecremeerd, gemummificeerd, ontvleesd enzovoorts), hoe het lichaam in het graf wordt neergelegd en welke grafgiften er worden meegegeven. In deze kenmerken zit culturele informatie verborgen, bijvoorbeeld over geslacht, leeftijd, status en doodsoorzaak. Dit geldt in veel mindere mate voor archeologische vondsten uit andere contexten, bijvoorbeeld waterputten, afvalkuilen, paalkuilen en sloten. Het materiaal dat daarin wordt gevonden, is doorgaans als afval weggeworpen. Voor een archeoloog is een graf een tijdcapsule: alle daarin gevonden materialen waren op hetzelfde moment in gebruik.

Gebitsonderzoek

Behalve als bron voor culturele informatie, bieden grafvelden met goed geconserveerde skeletten grote mogelijkheden voor biochemisch en genetisch onderzoek. Vooral bestudering van het gebit kan een schat aan informatie opleveren over het leven van de voorouders van de hedendaagse mens. Gebitselementen zijn zeer resistent en blijven beter in de bodem geconserveerd dan de botdelen van het skelet. Hierdoor blijven stabiele isotopen en oud DNA langer bewaard. De isotopenverhoudingen van stikstof (N) en koolstof (C) in gebitselementen en botten geven globale informatie over het vroegere dieet, terwijl de isotopenverhouding van het element strontium (Sr), dat vanuit bepaalde gesteenten in de voedselketen terechtkomt, informatie kan geven over de ‘geologische’ herkomst van een individu. Door middel van DNA-analyse kunnen het geslacht en genetische verwantschappen worden bepaald. Behalve het biochemisch onderzoek dat aan monsters uit het binnenste van gebitselementen kan worden uitgevoerd, biedt de buitenkant van gebitselementen ook belangrijke onderzoeksmogelijkheden. Aan de hand van de maten, de vorm en de beschadigingen van de gebitselementen kunnen geslachts- en leeftijdsbepalingen worden verricht. Ook kan informatie over genetische verwantschap en het gebruik van het gebit worden verkregen. Tevens kunnen sporen van tandziekten of groeistoornissen aanwijzingen geven over de gezondheidstoestand van een individu bij overlijden, of, zoals bij hypoplasie, tijdens de jeugd.

In de volgende paragrafen zal dieper worden ingegaan op de geslachts- en leeftijdsbepaling op basis van het gebit. Ook zullen enkele aspecten van genetische verwantschapsanalyse en het, cultuur gerelateerd, gebruik van het gebit worden behandeld. Dit alles met het doel om de fascinerende mogelijkheden van gebitsonderzoek aan archeologische menselijke resten nader onder de aandacht te brengen.

Geslachtsbepaling aan het gebit

In aanvulling op het onderzoek van het bekken en de schedel, de standaardmethode voor geslachtsbepaling van menselijke skeletresten (WEA, 1980), kan ook op basis van gebitsmaten het geslacht worden bepaald. Meest geschikt hiervoor zijn de maten van de kronen van de cuspidaten (Bowden en Goose, 1969; Anderson en Thompson, 1973). In vergelijking met de andere gebitselementen zijn cuspidaten minder gevoelig voor gebitsziekten (Anderson en Thompson, 1973). Ook na de dood zijn zij beter bestand tegen de biochemische afbraak in de bodem. Cuspidaten blijven dus langer in de bodem bewaard en hebben, in vergelijking met andere gebitselementen, de grootste kans om bij archeologische opgravingen aan het licht te komen.

De cuspidaten van primaten (waaronder de mens) dienen niet zozeer om voedsel af te bijten of te kauwen, maar hun functie hangt, vooral bij mannelijke dieren, samen met dreigen en agressie. Bij de meeste primaten gebruiken mannelijke dieren hun cuspidaten om mannelijke soortgenoten te intimideren of zich te verdedigen. Bij deze soorten bestaat een sterk geslachtsverschil in de maten van de cuspidaten: mannelijke dieren hebben grotere cuspidaten dan vrouwelijke dieren. Ook bij de mens zijn deze bij mannen iets groter dan bij vrouwen (Anderson en Thompson, 1973; Brace en Ryan, 1980). Metingen van bijvoorbeeld de onderste cuspidaten van de Samen uit Lapland, liet voor vrouwen een gemiddelde van 7,0 mm (n = 190) zien en voor mannen 7,6 mm (n = 211) (Frayer en Wolpoff, 1985). Deze dimorfie geldt in het bijzonder voor het permanente gebit. Bij het melkgebit zijn de geslachtsverschillen kleiner (Black, 1978). De grootte van de gebitselementen hangt samen met het moment van eruptie. Bij vrouwen komen de blijvende gebitselementen eerder door dan bij mannen. Hoogstwaarschijnlijk is de periode waarin tandglazuur wordt gevormd (amelogenese) in het mannengebit langer dan bij vrouwen. Dit resulteert in een dikkere glazuurlaag en dus grotere tanden bij mannen (Moss en Moss-Salentijn, 1977; DeVito en Saunders, 1990). Zoals reeds vermeld zijn deze verschillen het grootst bij de cuspidaten.

Ook in archeologische skeletpopulaties is bovengenoemde geslachtsdimorfie vastgesteld. Bij een prehistorische populatie uit het huidige Ohio in de Verenigde Staten werd aangetoond dat de gemiddelde buccolinguale kroonbreedte van de onderste cuspidaten bij vrouwen significant kleiner was dan bij mannen. De geslachten van deze individuen werden eerst vastgesteld door middel van een morfologische analyse van het bekken en de schedel (Sciully et al, 1977). Ook bij de populatie uit het ongeveer 4.500 jaar oude grafveld van Port au Choix in Canada (Newfoundland) werd bij de buccolinguale kroonbreedte van de onderste cuspidaten een significante geslachtsdimorfie aangetroffen. Hier vond eerst geslachtsbepaling plaats op basis van de morfologische methode van bekken en schedel en deels op basis van DNA-analyse (Tuck, 1976; Jelsma, 2000). De mate van geslachtsdimorfie is niet voor alle menselijke populaties gelijk. Bij een geslachtsbepaling op basis van gebitsmaten en ook bij toepassing van de standaard morfologische methode dient hier rekening mee gehouden te worden. De beste, en duurste, methode voor geslachtsbepaling van archeologisch skeletmateriaal is op dit moment DNA-analyse. Ook hiervoor zijn gebitselementen van nut: monsters voor DNA-analyse worden bij voorkeur uit onbeschadigde molaren gehaald. Hierin blijft oud DNA het beste bewaard.

Leeftijdsbepaling aan het gebit

Van kinderskeletten kan de leeftijd op het moment van overlijden worden bepaald aan de hand van hun gebit. De gebitselementen ontwikkelen zich in een specifieke volgorde en de eruptie vindt plaats op bepaalde momenten (leeftijden). Door vast te stellen welke gebitselementen in de kaken aanwezig zijn, of waren, kan de leeftijd worden geschat (Brothwell, 1981). Door individuele variatie en geslachtsdimorfie zijn dergelijke schattingen niet erg accuraat. Ook is de snelheid van gebitsontwikkeling per populatie verschillend. Bij de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika ontwikkelde het gebit zich sneller dan bij de oorspronkelijke bewoners van Europa. Behalve genetische factoren spelen hier ook omgevingsfactoren een rol (Trodden, 1982).

Door het gebruik van het gebit vindt slijtage (attritie) plaats. De intensiteit van de gebitsattritie hangt sterk samen met de leeftijd van een individu (Walker et al, 1991). Daarom kan van menselijke skeletten de leeftijd bij overlijden op basis van de attritie worden geschat. De tweede molaren zijn de meest geschikte gebitselementen voor een leeftijdsschatting. De eruptietijd van de derde molaren varieert te sterk en de eerste molaren zijn gevoeliger voor tandziekten die leiden tot beschadiging en tandverlies (Bouts en Pot, 1989). Door in een bepaalde populatie per individu de gemiddelde attritie van de (resterende) tweede molaren te bepalen kan de relatieve leeftijd van deze individuen worden vastgesteld. Hoe meer attritie op de tweede molaren, des te hoger de leeftijd bij overlijden.

Om de leeftijd in jaren uit te drukken is het echter nodig om de specifieke attritiesnelheid van een populatie vast te stellen. Deze attritiesnelheid varieert namelijk sterk per populatie: bij vroege landbouwers zijn de gebitselementen sneller afgesleten dan bij jager-verzamelaars. De attritiesnelheid van een populatie kan worden afgeleid uit het verschil in slijtage tussen de (gemiddelde) eerste molaar en de (gemiddelde) tweede molaar. Tussen de eruptie van de eerste en de tweede molaar ligt een periode van ongeveer 6 jaar. Het verschil in attritie tussen de eerste en de tweede molaar is dus ontstaan door 6 jaar gebruik van het gebit (Brothwell, 1981; Bouts en Pot, 1989). Door het attritieverschil tussen eerste en tweede molaar van alle onderzochte individuen in een skeletpopulatie te middelen, kan de specifieke attritiesnelheid van deze populatie worden bepaald. Indien mogelijk, wordt dat ook gedaan voor vrouwen en mannen afzonderlijk om te zien of er geslachtsgebonden voedselpatronen of gebitsgebruik voorkwamen (Molnar, 1971). Om de leeftijd in jaren te schatten kan de attritiestandaard van Bouts en Pot (1989) worden gebruikt (afb. 1). Deze standaard is afgeleid van Brothwell (1981) en Pot (1988) en gebaseerd op de gemiddelde attritiesnelheid van een aantal landbouwmaatschappijen.

Afb. 1
Afb. 1. Attritiestandaard van Bouts en Pot (1989) gebaseerd op Brothwell (1981). Met behulp van de linker tabel kan per individu de attritie (bijvoorbeeld 3+, 4) van alle gebitselementen worden vastgesteld. Per regel vervolgend naar het rechter schema kan via de bijbehorende eerste molaar, omhoog bewegend binnen de stippellijnen, de bijbehorende attritie van de tweede en derde molaar en (omlaag bewegend) de leeftijdscategorie in jaren worden afgelezen.

Het onderzoek van 141 skeletten van de achttiende- en negentiende-eeuwse populatie uit De Broerenkerk te Zwolle heeft een verbeterde indeling in, deels overlappende, leeftijdscategorieën mogelijk gemaakt (Bouts et al, 1992; Constandse-Westermann, 1997). Het grote voordeel van de Zwolse populatie was dat de geboorte- en sterfdata (dus leeftijden) van de overledenen in de kerkarchieven waren vermeld. Hierdoor was het mogelijk om de attritiesnelheid veel nauwkeuriger vast te stellen.

Bij een andere methode voor het bepalen van de leeftijd wordt de minerali­satie van het dentine in de pulpaholte onder­zocht. Door deze leeftijdsgecorreleerde mineralisatie wordt, gerekend van de wortel­punt, een steeds groter deel van de wortel doorzichtig. De mate van door­zichtigheid kan gebruikt worden voor een leeftijdsschatting. Vooral bij forensisch onder­zoek wordt deze methode toegepast (Shrestha, 2014).

Genetische verwantschap

In het menselijke skelet en gebit kan een groot aantal niet-metrische kenmerken voorkomen. Voor­beelden hier­van zijn extra bot­randjes en gaatjes (foramina) in het skelet en extra knobbels op de molaren. Elk niet-metrisch ken­merk is slechts bij een klein aan­tal indi­viduen aanwezig. Deze niet-metrische ken­merken zijn quasi continue variabelen (Harris, 1976). Dit houdt in dat ze aan- of af­wezig zijn en bij aan­wezigheid kunnen variëren tussen de laagste en de hoogste mate van expressie (Grüneberg, 1952; Grüneberg, 1963). Niet-metrische kenmerken wor­den ook wel epigenetische kenmerken genoemd. Dit omdat hun voorkomen slechts voor een deel genetisch wordt bepaald. Ook omgevingsfactoren spelen een grote rol bij het voorkomen en de mate van expressie van deze kenmerken.

Niet-metrische kenmerken kunnen worden gebruikt om de genetische verwantschap tussen onbekende skeletpopulaties te onderzoeken. Bij verwante archeologische skeletpopulaties (bijvoorbeeld aparte grafvelden rond dezelfde nederzetting) komen de niet-metrische kenmerken in vergelijkbare frequenties voor. Tussen niet verwante skeletpopulaties bestaan significante verschillen in de frequenties van niet-metrische kenmerken (Ossenberg, 1976; Buikstra, 1980; Turner, 1983; Turner, 1985). Zoals vermeld spelen omgevingsfactoren hier ook een rol.

Een voordeel van niet-metrische kenmerken van het gebit, in tegenstelling tot die van het skelet, is dat deze ook bij levende individuen goed zijn te onderzoeken. Verder blijven deze kenmerken, op enige attritie na, onveranderd in het gebit aanwezig (Harris, 1977; Rösing, 1983). Aan de hand van levende populaties waarvan de genetische verwantschappen bekend zijn, kunnen dus niet-metrische gebitskenmerken worden geselecteerd waarvan het voorkomen grotendeels genetisch wordt bepaald (Scott, 1974; Berry, 1976; Berry, 1978; Nichol, 1989). Deze kenmerken zijn te gebruiken om de genetische verwantschappen tussen archeologische skeletpopulaties onderling en tussen skeletpopulaties en nog levende populaties te berekenen.

Een voorbeeld van een niet-metrisch kenmerk van het gebit is de knobbel van Carabelli, die in 1842 werd beschreven door de Oostenrijkse hof-tandarts Georg Carabelli. Het is een extra knobbel aan de mesiale zijde van het linguale vlak van de bovenste molaren, in het bijzonder op de eerste molaar. Voor een uitgebreide beschrijving van niet-metrische gebitskenmerken wordt verwezen naar het boek ‘Dental anthropology’ van Hillson (1996).

Ook de grootte van de gebitselementen wordt door genetische en omgevingsfactoren bepaald. Townsend en Brown (1978) berekenden dat genetische factoren voor 64% van de variatie in gebitsmaten verantwoordelijk zijn. Sommige van deze dimensies kunnen worden gebruikt om genetische verwantschappen tussen menselijk populaties te traceren (Relethford en Lees, 1982). De sterkste correlatie met genetische factoren wordt gevonden in de eerste doorbrekende gebitselementen. De maten van de eerste molaren worden dus voor een groter deel erfelijke bepaald dan de dimensies van de tweede en derde molaren. Bij de later doorkomende gebitselementen spelen omgevingsfactoren een grotere rol (Sofaer et al, 1972).

Significante verschillen tussen gebitsmaten aan de linker- en de rechterzijde van het gebit, zogenaamde asymmetrie, worden voornamelijk door omgevingsfactoren veroorzaakt. Grote asymmetrie komt voor bij menselijke populaties die lijden onder stress, bijvoorbeeld wanneer er weinig of alleen slecht voedsel beschikbaar is. De mate van asymmetrie kan dus een indicatie geven van de gezondheidstoestand van een populatie (Bailit et al, 1970).

Gebruik en reparatie van het gebit

Aan de hand van de aard en de intensiteit van gebitsslijtage kan men een indruk krijgen over het soort voedsel dat een persoon heeft gegeten. Bijvoorbeeld bij jager-verzamelaars zijn de molaren meer gelijkmatig afgesleten dan bij landbouwers. Dit komt doordat landbouwers meer vezelig voedsel aten en gebruikmaakten van maalstenen, waardoor er zand in het eten kwam (Smith, 1984). Behalve voor voedselverwerking wordt het gebit ook voor andere doeleinden gebruikt. Een voorbeeld hiervan is het kauwen van huiden, waarbij specifieke gebruikssporen in het gebit ontstaan (Molnar et al, 1972). Het roken van kleipijpen is een ander cultureel gebruik dat zeer karakteristieke slijtagesporen aan het gebit oplevert. Dergelijke gebruikssporen zijn te verwachten in, voornamelijk mannelijke, gebitten van na de ontdekking van Amerika (1492). Pas toen kwam tabak in Europa beschikbaar.

Ook in het verleden zullen slijtage en tandziekten vaak pijnlijk zijn geweest. De oudst bekende tandheelkundig ingrepen vonden 7.500 tot 9.000 jaar geleden plaats in Pakistan. In het grafveld uit de nieuwe steentijd van Mehrgarh werden bij 9 skeletten in totaal 11 geboorde molaren aangetroffen. Het is helaas niet bekend waarmee men deze boorgaten had gevuld: dat materiaal was vergaan. In het grafveld werden ook vuurstenen boorkoppen gevonden. Bij een experiment met een replica van een dergelijke boor kon binnen een minuut een gat in een kies worden geboord (afb. 2) (Coppa et al, 2006). Bij dit experiment heeft men gebruikgemaakt van een zogenaamde vuurboog. De pees van de boog is om de stok van de boorstang geslagen. Door de boog met een hand naar voren en achteren te bewegen wordt de boor afwisselend links- en rechtsom aan het draaien gebracht. In de andere hand heeft men een uitgeholde steen waarin het achterste eind van de boor zich kan bewegen. Met deze hand kan men sturen en druk uitoefenen.

Afb. 2a
Afb. 2a
Afb. 2b
Afb. 2b
Afb. 2. a en b. Experiment met replica vuursteenboor afkomstig uit het 7.500-9.000 jaar oude steentijdgrafveld van Mehrgarh, Pakistan. Bron: L. Bondiali en R. Macchiarelli/Museo Pigorini, Rome.

In het hier beschreven vakgebied worden voortdurend nieuwe ontdekkingen gedaan en nieuwe (bio-)archeologische analyses uitgevoerd. In Azië, vooral in India, is een grote toename van het aantal publicaties over (archeologisch) gebitsonderzoek te zien. Hierdoor wordt de biologische variatie van het menselijk gebit steeds beter in kaart gebracht. Veelbelovend is ook de stormachtige ontwikkeling die de analyse van oud DNA (vaak bemonsterd uit gebitselementen) de laatste jaren doormaakt. Daardoor zal in de toekomst steeds beter de biologische kenmerken van verdwenen populaties kunnen worden gereconstrueerd.

De beschikbare literatuur over deze onderwerpen is zeer omvangrijk en het is niet mogelijk in dit artikel een volledig overzicht te geven van al het archeologisch gebitsonderzoek. Dit artikel heeft zich dan ook beperkt tot de bespreking van de belangrijkste aspecten, in de hoop de lezer voor het onderwerp te hebben geënthousiasmeerd. Wie zich verder in het onderwerp wil verdiepen, wordt aangeraden de hier genoemde publicaties te raadplegen, vooral het boek ‘Dental anthropology’ van Hillson (1996).

Literatuur

  • Anderson DL, Thompson GW. Interrelationships and sex differences of dental and skeletal measurements. J Dent Res 1973; 52: 431-438.
  • Bailey SE. A closer look at Neanderthal postcanine dental morphology: the mandibular dentition. Anat Rec 2002; 269: 148-156.
  • Bailit HL, Workman PL, Niswander JD, MacLean CJ. Dental asymmetry as an indicator of genetic and environmental conditions in human populations. Hum Biol 1970; 42: 626-638.
  • Berry AC. The anthropological value of minor variants of the dental crown. Am J Phys Anthropol 1976; 45: 257-268.
  • Berry AC. Anthropological and family studies on minor variants of the dental crown. In: Butler PM, Joysey KA (red.). Development, function and evolution of teeth. Londen: Academic Press, 1978.
  • Black TK 3rd. Sexual dimorphism in tooth-crown diameters of the deciduous teeth. Am J Phys Anthropol 1978; 48: 77-82.
  • Bouts WHM, Pot T. Computerised recording and analysis of excavated human dental remains. In: Roberts CA, Lee F, Bintliff J (red.). Burial archaeology: current research, methods and developments. Oxford: British Archaeological Reports, 1989.
  • Bouts WHM, Constandse-Westermann TS, Pot T, Verhoeven H. De gebitsresten uit de Broerenkerk, Zwolle, circa 1800 A.D. In: Clevis H, Constandse-Westermann TS (red.). De doden vertellen: opgravingen in de Broerenkerk te Zwolle 1987-88. Kampen: Stichting Archeologie IJssel/Vechtstreek, 1992.
  • Bowden DEJ, Goose DH. Inheritance of tooth size in Liverpool families. J Med Genet 1969; 26: 55-58.
  • Brace CL, Ryan AS. Sexual dimorphism and human tooth size differences. J Hum Evol 1980; 9: 417-435.
  • Brothwell DR. Digging up bones: the excavation, treatment and study of human skeletal remains. Oxford: Oxford University Press, 1981.
  • Buikstra JE. Epigenetic distance: a study of biological variability in the lower Illinois River region. In: Browman DL (red.). Early native Americans: prehistoric demography, economy and technology. Den Haag: Mouton Publishers, 1980.
  • Constandse-Westermann TS. Age estimation by dental attrition in an independently controlled early 19th century sample from Zwolle, The Netherlands. Hum Evol 1997; 12: 269-285.
  • Coppa A, Bondioli L, Cucina A, et al. Early Neolithic tradition of dentistry. Nature 2006; 440: 755-756.
  • De Vito C, Saunders SR. A discriminant function analysis of deciduous teeth to determine sex. J Forensic Sci 1990; 35: 845-858.
  • Frayer DW, Wolpoff MH. Sexual dimorphism. Ann Rev Anthropol 1985; 14: 429-473.
  • Grüneberg H. Genetical studies on the skeleton of the mouse, IV. Quasi-continuous variations. J Genet 1952; 51: 95-114.
  • Grüneberg H. The pathology of development: A study of inherited skeletal disorders in animals. Oxford: Blackwell, 1963.
  • Harris EF. Quasi-continuous variation in dental morphology. Am J Phys Anthropol 1976; 44: 183.
  • Harris EF. Anthropologic and genetic aspects of the dental morphology of Solomon Islanders, Melanesia. Tempe: Arizona State University, 1977. Academisch proefschrift.
  • Hillson S. Dental anthropology. Cambridge: Cambridge University Press, 1996.
  • Jelsma J. A bed of ochre: mortuary practices and social structure of a maritime archaic Indian society at Port au Choix, Newfoundland. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2000. Academisch proefschrift.
  • Liu W, Martinón-Torres M, Cai Y-j, Xing S, et al. The earliest unequivocally modern humans in southern China. Nature 2015; 526: 696-699.
  • Molnar S. Sex, age, and tooth position as factors in the production of tooth wear. Am Antiq 1971; 36: 182-188.
  • Molnar S, Barrett MJ, Brian L, et al. Tooth wear and culture: A survey of tooth functions among some prehistoric populations. Curr Anthropol 1972; 13: 511-526.
  • Moss ML, Moss-Salentijn L. Analysis of developmental processes possibly related to human dental sexual dimorphism in permanent end deciduous canines. Am J Phys Anthropol 1977; 46: 407-413.
  • Nichol CR. Complex segregation analysis of dental morphological variants. Am J Phys Anthropol 1989; 78: 37-59.
  • Ossenberg NA. Within and between race distances in population studies based on discrete traits of the human skull. Am J Phys Anthropol 1976; 45: 701-716.
  • Pot T. Een gebitsonderzoek van het 18e-eeuwse grafveld St. Janskerkhof 1984. Kroniek Bouwhistorisch en Archeologisch Onderzoek ‘s Hertogenbosch 1988; 1: 125-149.
  • Relethford JH, Lees FC. The use of quantative traits in the study of human population structure. Yrbk Phys anthropol 1982; 25: 113-132.
  • Rösing FW. Sexing immature human skeletons. J Hum Evol 1983; 12: 149-155.
  • Sciully PW, Williams JA, Gugelchuk GM. Canine size: An aid in sexing prehistoric Amerindians. J Dent Res 1977; 56: 1424.
  • Scott GR. A general model of inheritance for nonmetrical tooth crown characteristics. Am J Phys Anthropol 1974; 41: 503.
  • Shrestha M. Comparative evaluation of two established estimation techniques (two histological and radiological) by image analysis software using single tooth. J Forensic Res 2014; nr. 4: 237.
  • Smith BH. Patterns of molar wear in hunter-gatherers and agriculturalists. Am J Phys Anthropol 1984; 63: 39-56.
  • Sofaer JA, MacLean CJ, Bailit HL. Heredity and morphological variation in early and late developing human teeth of the same morphological class. Arch Oral Biol 1972; 17: 811-816.
  • Townsend GC, Brown T. Heritability of permanent tooth size. Am J Phys Anthropol 1978; 49: 497-504.
  • Trodden BJ. A radiographic study of the calcification and eruption of the permanent teeth in Inuit and Indian children. Ottawa: National Museum of Man, 1982. Mercury Series, Archaeological Survey of Canada Paper 112.
  • Tuck JA. Ancient people of Port au Choix: the excavation of an Archaic Indian cemetery in Newfoundland. St.John’s: Institute of Social and Economic Research, Memorial University, 1976. Newfoundland Social and Economic Studies 17.
  • Turner CG 2nd. Dental evidence for the peopling of the Americas. In: Shutler R jr (red.). Early man in the new world. Beverly Hills: Sage Publications, 1983.
  • Turner CG 2nd. The dental search for Native American origins. In: Kirk R, Szathmary E (red.). Out of Asia: Peopling of the Americas and the Pacific. Canberra: The Journal of Pacific History, Australian National University, 1985: 31-78.
  • Walker PL, Dean G, Shapiro P. Estinating age from tooth wear in archaeological populations. In: Kelley MA, Larsen CS (red.). Advances in dental anthropology. New York: Willey-Liss, 1991: 169-178.
  • WEA (Workshop of European Anthropologists). Recommendations for age and sex diagnosis of skeletons. J Hum Evol 1980; 9: 517-549.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Afb. 2b. Experiment met replica vuursteenboor. Bron: L. Bondiali en R. Macchiarelli/Museo Pigorini, Rome
Afb. 2b. Experiment met replica vuursteenboor. Bron: L. Bondiali en R. Macchiarelli/Museo Pigorini, Rome
Kennistoets
De termijn voor de kennistoets is verlopen
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd mei 2016; 123: 248-253
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2016.05.16113
rubriek
Onderzoek en wetenschap
Bronnen
  • J. Jelsma
  • Archeoloog uit de De Steekproef bv
  • Datum van acceptatie: 14 maart 2016
  • Adres: dr. J. Jelsma, De Steekproef bv, Hogeweg 3, 9801 TG Zuidhorn
  • johan.jelsma@desteekproef.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd