Voorlezen
Redactioneel
9 jun 2026
Ketenvorming is de afgelopen jaren gemeengoed geworden in de Nederlandse zorgsector. In domeinen als de huisartsenzorg, de GGZ, de ouderenzorg en ook in ons eigen vakgebied is deze ontwikkeling al langer zichtbaar. Dit past in bredere trends van marktwerking en zorgconsolidatie zoals door verschillende faculteiten gezond- heidseconomie en de NZA (‘Marktscan Mondzorg’ ) staat beschreven. De opkomst van tandheelkundige ketens, vaak gefinancierd door private‑equitypartijen, roept echter ook vragen op over de organisatie van mondzorg als geheel, de positie van de tandarts hierin en de balans tussen economische en professionele waarden.
Natuurlijk is het mooi voor patiënten die in een krimpregio wonen en van wie de tandarts met pensioen gaat zonder dat er een opvolger klaar staat, dat er sprake is van continuïteit van de zorg. Ook voor andere zaken zoals arbeidsvoorwaarden, werkdruk en innovatie kan het gunstig uitwerken als praktijken worden overgenomen door een keten. Toch zijn er ook de nodige kanttekeningen te maken bij het binnenhalen van deze ‘ketting’. De motor achter deze ketens zijn over het algemeen partijen die doorgaans een relatief korte investeringshorizon hanteren en rendement verwachten op niet al te lange termijn. Hierdoor ontstaat ontegenzeggelijk het risico dat economische prikkels de klinische besluitvorming op een of andere manier zullen beïnvloeden. Productiedoelstellingen, omzetsturing en preferente behandelstrategieën kunnen subtiel maar merkbaar doorwerken in de dagelijkse prak- tijkvoering. Internationale analyses van de spanning tussen professionele autonomie en bedrijfsmatige sturing in zorgsystemen bevestigen dit.
Tandheelkunde is een vak waarin klinische auto- nomie en vakmanschap traditioneel centraal staan. Als een tandarts werknemer of franchisenemer wordt binnen een grotere organisatie krijgt deze minder invloed op strategische keuzes, personeelsbeleid en investeringen, hetgeen raakt aan de professionele identiteit van tandartsen. Grotere teams, wisselende bezettingen en centralisatie van administratieve processen zorgen ervoor dat patiënten over het algemeen minder continuïteit en minder persoonlijke aandacht ervaren.
De gevolgen van ketenvorming reiken trouwens verder dan de algemene praktijk. Ook in domeinen waarin kwetsbare patiëntgroepen als ouderen en mensen met een beperking centraal staan, is deze ontwikkeling gaande. Deze zorgvormen zijn minder goed te standaardiseren en vragen om gespecialiseerde infrastructuur en multidisciplinaire samenwerking. De economische logica van ketens sluit hierdoor niet altijd aan bij de tijdsintensieve en complexe zorg die deze groepen nodig hebben.
Wellicht is er ook nog een variant te bedenken waarin schaalvoordelen en professionele waarden mooi in balans blijven en waarbij zorg altijd onze corebusiness blijft. Zoals in een tijd ver voor de schaalvergroting al is opgetekend: “Onderzoek alles en behoud het goede” .
dr. Erik Vermaire, redacteur