Occlusale veranderingen bij de Hall-techniek

Door J.E.F.M. Frencken
op 6 mei 2025
:

Akyildiz et al. (2025) wilden weten wat een behandeling met de Hall-techniek doet met de verhoogde beet en overige ruimtelijke veranderingen, de functie van de kaakkopjes en met de beleving van de behandelde kinderen.

Introductie

In de oktober-uitgave van het NTVT in 2024 bleek dat 44,6% van de lezers en andere mondzorgverleners meer kennis over minimaal invasieve restauratieve behandelingen zou willen ontvangen. Een van de genoemde restauratieve behandelingen was de Hall-techniek (Cenci et al., 2024). Naast de voordelen van deze methode (niet-invasief, pijnloos, snel en een zeer laag risico op pulpaschade) werden als nadelen minder esthetisch en een (tijdelijk) verhoogde beet genoemd. De verhoogde beet en andere ruimtelijke veranderingen die bij het plaatsen van een Hall-kroon optreden, waren een van de doelen van het onderhavige onderzoek door Akyildiz et al. (2025). De auteurs wilden ook de functie van de kaakkopjes en de beleving van de behandelde kinderen onderzoeken.


Materiaal en methode

Het 3 maanden durende longitudinale onderzoek vond plaats bij kinderen van 5-9 jaar met 1 dentinecaviteit in de eerste tijdelijke molaar. Metingen werden op 4 tijdstippen geregistreerd: vóór de behandeling (T0), direct erna (T1), een maand later (T2) en 3 maanden later (T3). De gegevensverzameling omvatte klinische onderzoeken, metingen aan gipsmodellen en digitale analyses die allemaal door 1 onderzoeker werden uitgevoerd. Veranderingen in de ruimte van behandelde en tegenoverliggende molaren werden met behulp van digitale scans en een digitale schuifmaat gemeten en met een speciaal softwareprogramma geanalyseerd. De functie van de kaakkopjes werd met behulp van de Helkimo Clinical Dysfunction Index bepaald en de subjectieve ervaringen van de kinderen werden via een gedetailleerde vragenlijst verkregen.


Resultaten

In totaal deden 28 kinderen met een gemiddelde leeftijd van 6,4 jaar aan het onderzoek mee. De gemiddelde verschillen in ruimte (mm³) ± standaardfout van het gemiddelde en (min-max) voor met de Hall-techniek behandelde molaren waren: T0-T1: 71,0 ± 3,2 (43,18 tot 113,3 mm³); T1-T2: 10,1 ± 1,2 (0,02 tot 23,52 mm³); T2-T3: 4,3 ± 1,0 (-4,11 tot 15,43 mm³) en voor tegenoverliggende molaren: T1-T2: 6,8 ± 1,1 (-4,30 tot 21,51 mm³); T2-T3: 0,5 ± 0,9 (-11,12 tot 15,24 mm³). Overlapmetingen van Hall-kronen en cuspidaten verdwenen binnen 1 maand (p < 0,001) wat wijst op herstel van de occlusie. Er was geen significant verschil in ruimteveranderingen tussen met de Hall-techniek behandelde onder- en bovenmolaren. De occlusale verticale hoogte was na 3 maanden gemiddeld nog iets hoger (0,2 mm) dan voor de behandeling. Beoordelingen van het functioneren van de kaakkopjes lieten milde disfuncties bij 2 kinderen (8%) zien die op T3 waren verdwenen. Wat betreft de beleving van de kinderen waren 26 kinderen (93%) het er “helemaal mee eens” of “mee eens” dat ze blij waren met hun gekroonde molaar; 1 kind gaf er de voorkeur aan om deze niet te laten zien en 26 van hen (93%) rapporteerden geen ongemak of pijn bij het gebruik van de Hall-kroon.


Beschouwing

Het plaatsen van een Hall-kroon leidt tot verandering in de beethoogte die, zoals dit onderzoek laat zien, binnen 1 maand sterk verminderde en na 3 maanden bijna volledig was verdwenen. Het overgrote deel van de kinderen bleek geen last van de beetverhoging en van de metalen kleur van de kroon te hebben. Eveneens beïnvloedde de beetverhoging het functioneren van de kaakkopjes nauwelijks. Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat het functioneren van het kauwstelsel binnen 3 maanden na het plaatsen van een Hall-kroon is hersteld. De Hall-techniek is daarom een effectieve en kindvriendelijke optie voor het behandelen van dentinecaviteiten in tijdelijke molaren, die een hoge mate van acceptatie heeft alsmede geringe, kortdurende, klinische bijwerkingen.
De behandeling van dentinecaviteiten in het tijdelijk gebit heeft de laatste decennia een grote vlucht genomen. In een vorige bijdrage voor het NTVT schreef ondergetekende: “Door onderzoek is […] de noodzaak van het routinematig restaureren van caviteiten in het tijdelijk gebit op losse schroeven komen te staan. Huidige inzichten in de cariologie wijzen in de richting van een causale behandeling die gestoeld is op het reinigen van toegankelijke of van toegankelijk gemaakte carieuze dentinecaviteiten, eventueel gesteund door het aanbrengen van zilverdiaminefluoride. Het ultieme doel van een restauratie in het tijdelijk gebit is het mogelijk maken om biofilm van het tandoppervlak te verwijderen en infectie van de pulpa te voorkomen. Mocht restaureren in het tijdelijk gebit noodzakelijk zijn dan zullen mondzorgverleners, om behandelangst te voorkomen, eerst moeten overwegen of het haalbaar is restauraties op een atraumatische manier te plaatsen, bijvoorbeeld door middel van de ART-methode of de Hall-techniek” (Frencken, 2017). Voor collega’s die meer kennis willen vergaren over weefselsparende behandelopties in het tijdelijk gebit is er gelukkig veel informatie voorhanden.

Literatuur

Informatie

Publicatiedatum
6 mei 2025,
Citeren

Frencken JEFM. Occlusale veranderingen bij de Hall-techniek. Tijdschr Tandheelkd 2025; 132: 280-281.

Auteursinformatie