Voorlezen
Occlusale aanpassing en het type composiet kunnen de klinische prestaties van restauraties bij niet-carieuze cervicale laesies beïnvloeden, blijkt uit een 18-maanden follow-upstudie.
Introductie
Niet-carieuze cervicale laesies (NCCL’s) vormen een veelvoorkomend klinisch verschijnsel met een multifactoriële etiologie, waarbij abfractie, abrasie en erosie kunnen bijdragen aan verlies van tandweefsel in het cervicale gebied. Bij belasting van het gebitselement treedt er in de cervicale regio echter een buigspanning op, waardoor materialen met een hoge elasticiteitsmodulus risico lopen op verlies van retentie. Flowable composieten, met een lagere stijfheid en elasticiteitsmodulus, kunnen deze belasting mogelijk beter opvangen. Binnen de etiologie van NCCL’s is de rol van occlusale belasting, zoals die optreedt bij occlusale interferenties en premature contacten, onderwerp van discussie. De hypothese dat occlusale belasting leidt tot abfractie werd al in de jaren 1980 geformuleerd, maar bewijs voor een oorzakelijk verband blijft inconsistent. Daarom onderzochten Dezanetti Hermeling et al. (2025) in een gerandomiseerde, gecontroleerde, dubbelblinde klinische studie het effect van occlusale aanpassing op de klinische prestaties van conventionele en flowable composietrestauraties bij NCCL’s gedurende een follow-upperiode van achttien maanden.
Materiaal en methode
In totaal werden achttien deelnemers met NCCL’s en occlusale interferenties geïncludeerd, wat resulteerde in 145 gebitselementen. De diagnose werd gesteld op basis van klinische morfologie: een wig- of V-vormige laesie met scherp afgetekende randen, duidelijke interne hoeken en een glanzend dentineoppervlak. Occlusale interferenties werden vastgesteld met dubbelzijdig articulatiepapier, waarbij premature contacten in maximale intercuspidatie, protrusie en laterotrusie werden geregistreerd; de aanwezigheid van minimaal een prematuur contact of interferentie in elke positie werd beschouwd als een indicatie voor occlusale disbalans. De laesies werden gerandomiseerd toegewezen aan vier behandelgroepen: flowable composiet met (FWA) of zonder (FNA) occlusale aanpassing, en conventionele composiet met (CWA) of zonder (CNA) aanpassing, waarbij CNA fungeerde als controlegroep. De randomisatie vond plaats op patiëntniveau, zodat alle bij een patiënt aanwezige laesies volgens dezelfde interventie werden behandeld. Alle restauraties werden uitgevoerd volgens een uniform protocol met conventionele of flowable composiet van hetzelfde merk (Filtek Supreme, Solventum). De restauraties werden door twee onafhankelijke beoordelaars geëvalueerd bij aanvang (7 dagen) en na 6, 12 en 18 maanden volgens de gemodificeerde criteria van de United States Public Health Service (USPHS) en de Fédération Dentaire Internationale (FDI). De gegevens werden statistisch geanalyseerd met de Mann-Whitney-, Kruskal-Wallis-, Dunn- en Friedman-testen (α = 0,05).
Resultaten
De Kappa-test toonde een uitstekende overeenstemming tussen de beoordelaars (0,90), zonder statistisch significante verschillen tussen de beoordelingen. Gedurende de follow-up van achttien maanden werden twee patiënten uitgesloten, resulterend in het verlies van vijftien restauraties. Alle achttien deelnemers vertoonden occlusale interferenties, waarbij de meeste patiënten geen cuspidaatgeleiding hadden tijdens laterale bewegingen. Na zes maanden vertoonde de FWA-groep (flowable composiet met occlusale aanpassing) volgens de USPHS-analyse significant meer randverkleuring dan de andere groepen (p < 0,05). Deze bevinding werd bevestigd in de FDI-analyse na zes en twaalf maanden. Na achttien maanden werd volgens de FDI-analyse een significant hogere incidentie van recidief van abfractie waargenomen in de CNA-groep (conventioneel composiet zonder occlusale aanpassing) vergeleken met de groepen waarbij een occlusale aanpassing was uitgevoerd (p < 0,05).
Beschouwing
Dit onderzoek laat zien dat zowel het type composiet als het uitvoeren van een occlusale aanpassing de klinische prestaties van restauraties in NCCL’s kunnen beïnvloeden. Flowable composieten vertoonden meer randverkleuring, vermoedelijk als gevolg van het lagere vulstofgehalte en de daaruit voortvloeiende grotere polymerisatiekrimp. Deze verkleuring bleef echter klinisch acceptabel en was corrigeerbaar. Occlusale aanpassing reduceerde de kans op recidief van abfracties, vooral bij conventionele composieten. Van de CNA- en CWA-groep faalden respectievelijk twee en vijftien restauraties, terwijl in de flowable groepen geen enkele restauratie faalde. Dit duidt mogelijk op een effect van occlusie op de levensduur van de cervicale composietrestauratie. Het is alleen jammer dat niet op gebitselementniveau werd gerandomiseerd, zodat er vergelijkingen konden worden gemaakt binnen een patiënt. Daarnaast is het sowieso lastig om vast te stellen of er sprake is van een zwaar occlusaal contact. Misschien dat het gebruik van een digitale occlusiemeter dit in zo’n geval meer kwantificeert dan de markering van het articulatiepapier alleen. Het laat in ieder geval zien dat een occlusale analyse voorafgaand aan de restauratieve behandeling verstandig is. Verdere langetermijnonderzoeken zijn gewenst om de invloed van occlusale factoren en restauratieve strategieën op de duurzaamheid van cervicale composietrestauraties nader te verduidelijken.
Literatuur
Dezanetti Hermeling JMP, Leyton BGS, Ignacio SA, Rached RN, de Souza EM. Effects of occlusal adjustment on the clinical performance of resin composite restorations in non-carious cervical lesions: A randomized, controlled, double-blind clinical trial. J Dent 2025; 162: 106084. https://doi.org/10.1016/j.jdent.2025.106084