Voorlezen
Een elfjarig onderzoek vergeleek het verzegelen en restaureren van gecaviteerde dentinelaesies in het occlusale vlak bij kinderen. Uit de resultaten bleek dat restauraties (81% succes) op lange termijn effectiever waren dan verzegelingen (58% succes), maar dat verzegelen als minimaal invasieve behandeling wel zinvol is, vooral bij jonge of angstige patiënten.
Introductie
Het verzegelen van gecaviteerde carieuze laesies met zowel hooggevuld glasionomeer als laaggevuld composiet is effectief in het stoppen van het cariësproces (Zhang et al., 2019). Binnen het kader van weefselsparende tandheelkunde is de effectiviteit van deze zogenoemde therapeutische verzegelingen met restauraties vergeleken, maar de onderzoeken waren van korte duur. In het huidige onderzoek wordt deze vergelijking gedurende een periode van elf jaar gerapporteerd (Bakhshandeh en Qvist, 2025).
Materiaal en methode
Dit gerandomiseerde en gecontroleerde klinisch onderzoek vond plaats in negen publieke tandartspraktijken in Denemarken. Geïncludeerd werden 9- tot 17-jarigen met een gecaviteerde dentinelaesie in het occlusale vlak die was gediagnostiseerd op röntgenopnamen en aanwezig in de binnenste helft van de dentine. Randomisatie gebeurde door het verstrekken van gesloten enveloppen met een behandelopdracht aan de 66 deelnemende tandartsen. De laaggevulde (verzegeling) en hooggevulde composieten (restauratie) die in de praktijken aanwezig waren, werden volgens instructie van de fabrikant gebruikt. De behandelingen werden jaarlijks klinisch en röntgenologisch beoordeeld door de aanwezige tandartsen, waarbij eigen werk niet werd beoordeeld. Carieuze laesies werden volgens het ICDAS-systeem gediagnosticeerd, waarbij ICDAS 5 en 6 stonden voor gecaviteerde dentinelaesie. Een verzegeling faalde als die opnieuw verzegeld of door een restauratie vervangen moest worden en bij progressie van de carieuze laesie. Een restauratie faalde bij aanwezigheid van progressie van de carieuze laesie en door een herrestauratie. De deelname stopte als de patiënt niet meer wilde meewerken, verhuisde of op 18-jarige leeftijd het zorgsysteem moest verlaten. Overlevingscurves werden door middel van de Kaplan-Meier-analyse berekend en de relatie tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen werd door de Cox-regressie-analyse bepaald.
Resultaten
In totaal deden 493 patiënten met gecaviteerde dentinelaesies in het occlusale vlak van eerste (365) en tweede (128) blijvende molaren aan het onderzoek mee. Het uitvalpercentage was 10% en was gelijk verdeeld over de twee behandelgroepen. Er werden 341 verzegelingen en 152 restauraties vervaardigd. De gemiddelde leeftijd ten tijde van de behandeling was 12,4 ± 2,1 jaar. Gedurende de elf jaar moest 22% van de verzegelingen worden gerepareerd of vernieuwd en was 58% van de verzegelingen en 81% van de restauraties succesvol. Daarnaast werd 33% van de verzegelingen vervangen door restauraties en 12% van de restauraties gerepareerd of vernieuwd (p < 0,001). De meeste verzegelingen werden gedurende de eerste vier jaar door restauraties vervangen. In de laatste zeven tot elf jaar werd deze behandeling niet meer waargenomen. Er werden geen endodontische behandelingen uitgevoerd. Het gemiddelde jaarlijkse faalpercentage was 4-7% voor verzegelingen en 1% voor restauraties. Het 50% overlevingspercentage van verzegelingen door progressie van de carieuze laesie werd na 8,6 jaar bereikt, door alle soorten herbehandelingen na 4,6 jaar en door vervanging met restauraties na 7,3 jaar. Er werd geen significant verschil gevonden tussen het overlevingspercentage van gerepareerde en niet-gerepareerde verzegelingen in relatie tot het vervangen ervan door een restauratie (p = 0,96).
Beschouwing
Dit onderzoek is opgezet om de werkelijke situatie in de praktijk te onderzoeken. Daarom kan van een puur experimentele opzet geen sprake zijn. De tandartsen waren bijvoorbeeld niet gekalibreerd in het beoordelen van röntgenopnamen en van klinische gebreken. Wel zijn elementaire methodologische onderzoekprincipes, zoals randomisatie, gebruikt. Er valt dus wat aan te merken op deze onderzoeksopzet, maar het levert ook een veelheid aan bruikbare praktische resultaten op. Het is duidelijk dat het restaureren van de occlusale gecaviteerde dentinelaesie gedurende elf jaar betere resultaten oplevert dan het verzegelen ervan. Toch heeft verzegelen van deze dentinelaesies zin. In het kader van weefselsparende tandheelkunde nemen preventie en minimaal invasieve behandelingen een belangrijke plaats in. We weten dat in het verre verleden geadviseerd werd om alle verkleurde dentine te verwijderen. Dat leidde tot grote caviteitspreparatie en, indien dit op (zeer) jonge leeftijd plaatsvond, tot een verhoogde kans op vroegtijdig verlies van het gebitselement. Cariologisch onderzoek heeft sindsdien aangetoond dat niet al het gedemineraliseerde dentineweefsel hoeft te worden verwijderd om het gebitselement langdurig te laten functioneren (Mertz-Fairhurst et al., 1998). Dat laatste wordt in het huidige onderzoek toegepast door het verzegelen van gecaviteerde dentinelaesies. Bij jonge kinderen en mensen met angst kan zo op een vriendelijke manier het cariësproces worden gestopt en wordt een gezond weefsel gebruikende restauratie uitgesteld. Het beoordelen van de behandeling in de tijd wordt bij het preventief mondonderzoek gedaan. Is ingrijpen noodzakelijk, dan gebeurt dat voor een kind op een leeftijd waarbij het ouder en ontvankelijker is voor een invasieve behandeling. En dat is winst voor de patiënt.