R.B. Kuitert, B. Aydin
Samenvatting. De variatie in beoordeling van de aangezichtsesthetiek is bestudeerd met behulp van metingen aan als mooi bekendstaande actrices tussen 1875 en 2020. De metingen werden uitgevoerd aan redelijk gestandaardiseerde en face- en profielfoto’s. Over de gehele bestudeerde periode zijn de volgende trends in de verandering van als fraai beoordeelde gezichten onderkend: een gestage toename van lippenrood en prominentie van de lippen, een afname van de ooghoogte en een toename van de oogbreedte en daarmee een afname van de hoogte-breedteverhouding van de ogen. Verder werden de kin-halshoek en nasolabiale hoek scherper. Deze trend werd vooral duidelijk na 1950. Zowel de groep actrices 1875-1900 als een groep Britse vrouwelijke studenten uit 2005 vertoonden een relatief vlakker lippenprofiel, prominentere kin en groter nasolabiale hoek. Na 2000 is er een lichte voorkeur ontwikkeld voor wat meer lippenrood van onder- en bovenlip zowel bij voor- als zijaanzicht, wat prominentere lippen, scherpere nasolabiale en kin-halshoeken en een geringere ooghoogte.
Kuitert R.B. Aydin B. Variatie in beoordeling van aangezichtsesthetiek van vrouwen gedurende de afgelopen 150 jaar
Ned Tijdschr Tandheelkd 2020; 127: 683-689
doi: https://doi.org/10.5177/ntvt.2020.12.20104
Inleiding
Binnen de orthodontie bestaat al heel lang, zij het wisselend, belangstelling voor esthetiek van het gezicht. De laatste 15-20 jaar neemt de aangezichtsesthetiek binnen de orthodontie weer een prominentere plaats in dan daarvoor.
Het waarnemen en waarderen van de aangezichtsesthetiek wordt grotendeels bepaald door culturele en omgevingsfactoren zoals de ideale schoonheidsnorm van die tijd. Schoonheid kan worden gedefinieerd als een combinatie van een aantal vormbepalende factoren die een positieve aangename uitwerking hebben op de waarnemers. Shakespeare stelde het kort: “Schoonheid is op zichzelf voldoende om waardering en aangename gevoelens op te wekken zonder uitleg” (Shakespeare, 1594). De visie op hoe een aangezicht als ‘schoonheid’ wordt beoordeeld varieert. Volgens Frances Hutcheson, een achttiende-eeuwse filosoof, is het waarnemen van schoonheid en harmonie “een natuurlijke intuïtie” omdat er geen duidelijke intellectuele principes en achtergronden bij zijn betrokken (Hutcheson, 1725). Kant herhaalde dit op een beknopte manier als volgt: “Fraai en schoon is alles dat zonder concept algemeen wordt gewaardeerd.” (Kant, 1790). Indien dus een fraai gelaat algemeen positief wordt gewaardeerd dan zou althans een deel van het kritisch waarnemingsvermogen voor alle mensen overeen moeten komen. Dit blijkt ten dele wanneer een gezicht als mooi wordt omschreven en meestal niet wordt volstaan met het oordeel dat het mooi is, maar dat ook de kenmerken worden aangegeven waarom men dat zo vindt. Bijvoorbeeld stralende ogen of een mooie lach.
De uitgebreide literatuur over schoonheid van het aangezicht beschrijft op verschillende manieren dat schoonheid vele varianten vertoont en dat diverse vormen van schoonheid ook weer verschillende reacties op roepen (Liggett, 1977; Michels, 1994; Bergsma, 1996; Stadler, 1996; Bates en Cleese, 2001; Teylers Museum, 2014).
a

b

Afb. 1. Profielvariatie van Cleopatra in beeldhouwkunst (a en b).
Afbeelding 1 toont de profielvariatie van Cleopatra die werd beschreven als opvallende schoonheid. Zij was een geliefd thema voor beeldend kunstenaars en hun opdrachtgevers, onder invloed van de interpretatie van 2 verschillende Romeinse kunstenaars tijdens of kort na het leven van deze vorstin. Ze was indrukwekkend en inspirerend; een (naar verluidde) beeldschone prinses die politieke moord en intriges, verleiding en oorlogsgeweld niet uit de weg ging en op 38-jarige leeftijd met een dramatische zelfmoord aan haar einde kwam. De beeltenissen van Cleopatra in afbeelding 1 kunnen het positieve oordeel over haar uiterlijk maar beperkt bevestigen. Dit werd ook in 1669 waargenomen door de Franse filosoof Pascal, die zijn reflectie op haar uiterlijk als volgt verwoordde: “De wereld zou er heel anders hebben uitgezien indien Cleopatra een kortere neus zou hebben gehad” (Pascal, 1669). Hoe dat dan zou zijn gegaan vermeldde hij niet. Tussen de 2 gezichten in afbeelding 1 is er een duidelijke gelijkenis, maar het zouden ook 2 verschillende personen kunnen zijn. Vergelijking tussen een aantal standaard huidprofielmetingen tonen dat de nasolabiale hoek, de kin-halshoek en lip-kin-halshoek in afbeelding 1a groter zijn dan in afbeelding 1b, terwijl de plica-mentalishoek in afbeelding 1a weer kleiner is. Volgens de metingen toont het hoofd in afbeelding 1b wat prominentere lippen, wat meer lippenrood van de bovenlip en bovendien is de neus in afbeelding 1b wat minder prominent. De relatieve sagittale posities van subnasale, nasion en kinpunt komen redelijk overeen evenals de verticale verhoudingen. Overigens is uit metingen in het onderhavige onderzoek gebleken dat de neuzen van deze 2 beeltenissen van Cleopatra in lengte maar weinig verschillen van de hedendaagse ‘top schoonheden’. Wellicht dat zij naar de normen van 1669 wat aan de lange kant waren.
Afbeelding 2 toont profielen van Cleopatra zoals zij is afgebeeld op schilderrijen en tekeningen van beroemde kunstenaars tussen 1736 en 1887. Waarschijnlijk beschikten alle 5 kunstenaars over afbeeldingen van Cleopatra uit de periode waarin zij leefde, maar gaven de kunstenaars daaraan een eigen interpretatie, meestal aangepast aan het type (aantrekkelijk geachte) vrouw dat zij doorgaans plachten te schilderen wanneer het een fantasietafereel betrof. Alle profielportretten hebben de ontwikkelde, enigszins prominente kin, de prominente onderlip en de diepe plica mentalis in meer of mindere mate overgenomen. Dit geldt ook voor de betrekkelijk scherpe nasolabiale hoek en neuspunthoek. Het schilderij uit 1879 voldoet het meest aan de ideale proporties van die tijd - die vrijwel overeen kwamen met die van Michelangelo en Da Vinci - maar wijkt wel relatief veel af van de beeltenissen uit afbeelding 1. Het schilderij uit 1825 wijkt af door de grote neus-voorhoofdhoek, wellicht omdat de kunstenaar daarmee de deels Griekse afkomst van Cleopatra wilde aangeven. De schilderijen in afbeeldingen 2a, b, en d vertonen een relatief korte bovenlip. De afbeeldingen 2a, b en c vertonen relatief minder prominente lippen vergeleken met 2d en 2e. In afbeeldingen 2b en 2d is de neus relatief weinig prominent en de bovenlip relatief kort. De schilderijen uit 1887 en 1882 tonen meer lippenrood, prominentere lippen en een forsere kin.
1736

1825

1879

1887

1882

Afb. 2. Profielen van Cleopatra zoals zij is afgebeeld op schilderrijen en tekeningen van beroemde kunstenaars tussen 1736 en 1887.
De variatie tussen de interpretaties kan samenhangen met:
1. de door de kunstenaar gepretendeerde leeftijd van Cleopatra op de afbeelding;
2. de mogelijk variërende opinie over schoonheid tussen 1736 en 1882;
3. de politieke visie van de kunstenaar op Cleopatra: zag hij haar als een edele, schone vorstin of juist als een gemene verraadster /opstandeling tegen het Romeinse gezag.
Deze 3 punten en de variatie in de 5 beeltenissen in afbeelding 2, geven aan dat zorgvuldige beoordeling van wat door de tijd heen als mooi en aantrekkelijk wordt beschouwd lastig is vast te stellen. Vooral omdat het moeilijk is om van elke tijdsperiode voldoende geschikte en profiel- en en face-afbeeldingen van eenzelfde persoon te verzamelen.
Voor dit artikel is daarom gekozen voor de periode van 1875 tot 2020 omdat van die periode relatief goed gestandaardiseerde en profiel en en face lichtfoto’s bestaan van destijds als zeer aantrekkelijk geachte vrouwen in de leeftijd van 20 tot 30 jaar. Er is voor dit artikel gekozen voor vrouwen omdat hierover meer specifieke beschrijvingen en (veel) meer bruikbaar beeldmateriaal beschikbaar is. Bovendien gelden voor mannen andere normen voor de kwalitatieve en kwantitatieve omschrijving waardoor, vooral vanwege duidelijke afbakening van het onderwerp, dit beter in een apart verhaal kan worden onder gebracht.

Tabel 1. Actrices in de verschillende tijdscategoriëen.
De periode 1880-2020 werd opgedeeld in 6 periodes met elk 5 tot 6 actrices (tab. 1). De bovengemiddelde aantrekkelijkheid van de actrices werd beoordeeld op grond van uit hun periode beschikbare literatuur die via Wikipedia, boeken en tijdschriften werd verzameld (Maltin en Bredschneyder, 1988). Ter vergelijking werden uit een Engels onderzoek uit 2005 naar aangezichtsesthetiek de 5 best beoordeelde vrouwen in de vergelijking betrokken (Knight en Keith, 2005). Van deze vrouwen waren in het onderzoeksartikel zeer goede profiel- en en face-foto’s beschikbaar. Bovendien betrof het een beoordeling door leken en orthodontisten en waren het vrouwen uit ongeveer dezelfde leeftijdscategorie (19-23 jaar, geboren tussen 1980 en 1985) als de actrices uit de periode 2000-2020.
Beauty is in the eye of the beholder?
Op gestandaardiseerde profiel- en en face-foto’s werden een aantal bekende veel gebruikte profiel- en aangezichtsmetingen uitgevoerd (Stoner, 1955; Burstone, 1958; Neger, 1959; Subtelny, 1959; Merrifield, 1966; Ricketts, 1968; Peck en Peck, 1970; Cox en Van der Linden, 1971; Edler, 2001; Farkas, 1981; Holdaway, 1983; Farkas et al, 1984; Tatarunaite et al, 2005; Naini et al, 2006; Houstis en Kiliaridis, 2009).
De gemiddelde uitkomsten van de 6 groepen werden vergeleken en vervolgens werd getracht enig inzicht te verkrijgen in een mogelijk verloop van voorkeur voor een bepaald aangezichts- en profielmorfologie door de laatste 150 jaar heen.
Bevindingen
De bevindingen worden hier in het kort besproken. De uitgebreide bevindingen zijn als addendum via het online artikel te vinden en te downloaden (zie kader voor QR-code). De groep 2000-2020 toonde meer lippenrood dan alle voorgaande groepen, vooral in de onderlip, en ook prominentere lippen, een relatief geringere ooghoogte, een verder naar dorsaal doorlopende mondspleet, een relatief langere onderlip en scherpere kin-halshoek.
Belangrijke verschillen tussen de 7 groepen worden geïllustreerd in afbeelding 3 met staafdiagrammen waarin de gemiddelde positie van onder- en bovenlip ten opzichte van de lijnen subnasale-kinpunt en neuspunt-kinpunt worden getoond. Bij groepen (ver) links van de verticale lijn, liggen onder- en bovenlip duidelijk voor de lijn subnasale-kinpunt. Dit is vooral voor de bovenlip het geval voor de groepen van na 1975 en in het bijzonder voor de groep 2000-2020 (afb. 3, zie a en b). Bij de groepen na 1975 is de afstand tot de lijn neuspunt-kinpunt weer relatief klein, wat goed is te zien in de onderste set staafdiagrammen. Bij de groepen 1875-1925 liggen de lippen en vooral de bovenlip duidelijk meer naar achter ten opzichte van zowel de lijn neuspunt-kinpunt als wel de lijn subnasale-kinpunt. Dit geldt vooral voor de groep 1875-1900. Opmerkelijk is dat de Britse onderzoeksgroep uit 2005 duidelijk overeenkomst vertoont met de groep 1875-1900, vooral waar het de (grote) afstand tussen lippen en de lijn neuspunt-kinpunt betreft. Deze beide groepen vertonen ook relatief prominentere kinnen.

Afb. 3. De convexiteit van het lippenprofiel door de jaren heen. Staafdiagraam toont gemiddelde positie van onder- en bovenlip ten opzichte van de lijnen subnasale-kinpunt en neuspunt-kinpunt. Bij groepen (ver) links van de verticale lijn, liggen onder- en bovenlip duidelijk voor de lijn subnasale-kinpunt. Dit is vooral voor de bovenlip het geval. Dit verschil is goed te zien tussen actrice Elsie Lily (periode 1900-1925) (a) en actrice Adriana Lima (periode 2000-2020) (b).
Bij een aantal van de 7 groepen kwamen bepaalde typische kenmerken naar voren. Zo waren bij de groep 1900-1925 veel aspecten bij het vooraanzicht relatief smal: de breedte van de neus en de mondspleet en de afstand tussen de mediane ooghoeken (afb. 4). De cupidoboog was vooral geprononceerd bij de groepen 1900-1925 en 1950-1975 (afb. 4). Voor de groep 1900-1925 werd herhaaldelijk in de toenmalige pers bevestigd dat men dit een belangrijk aspect van de aantrekkelijkheid van de actrices vond (Maltin en Bredschneyder, 1988). Later was dat blijkbaar weer minder.
1900-1925

1925-1950

1950-1975

2005 student

2000-2020

Afb. 4. De verschillen in de breedtematen van het aangezicht en de cupidoboog door de tijd heen. Van links naar rechts actrices Alla Nazimova, Betty Davis, Romy Schneider, student uit onderzoek en Brooke Shields.
De oudste groep (1875-1900) toonde ongeveer evenveel lippenrood in beide lippen maar in totaal relatief weinig lippenrood en een vlakke bovenlip. Verder relatief veel retropositie van de lippen in het profiel en een relatief vlakke plica mentalis, een prominente kin en een relatief minder prominente neus. De neus lag meer naar achter in het aangezicht en wel voor circa 40% achter nasion-pogonion (in tegenstelling tot gemiddeld 28% bij andere groepen). Bovendien was de cupidoboog minder geprononceerd. Kortom, een minder uitbundig en meer ingetogen lippenprofiel. In afbeelding 5 wordt het verschil tussen de oudste groep en de jongste groep aan de hand van superponaties van respectievelijk actrices Ethel Barrymore en Angelina Jolie zien.
a

b

Afb. 5. Superponatie van actrices Angelina Jolie (doorlopende lijn) uit de periode 2000-2020 en Ethel Barrymore (stippelijn) uit de periode 1900-1925. En profiel (a) is het verschil in ooghoogte, de nasolabiale hoek, de hoeveelheid lippenrood, de prominentie van de kin en de kin-halshoek opvallend. En face (b) is het verschil in ooghoogte, kaakhoek, neusbreedte en hoeveelheid lippenrood opvallend.
Van de Britse groep uit 2005 weken de aangezichtskenmerken vrij sterk af van die van de aantrekkelijk gevonden actrices uit 2000-2020, maar ook van die van eerdere groepen actrices. Daarentegen leken de Britse vrouwen uit het onderzoek op sommige punten vrij veel overeenkomsten te vertonen met de actrices uit de periode 1875-1900. Hierbij ging het vooral om de zeer vlakke onder- en bovenlip, de relatief terugliggende lippen in het profiel, de ontwikkelde kin en de relatief grote nasolabiale hoek. Daarnaast vertoonde deze groep een grote kin-halshoek een bredere neus en stompere neustophoek. Ook toonden de vrouwen bij zijaanzicht relatief weinig lippenrood (afb. 6 en 7). Grote overeenkomst tussen de Britse groep uit 2005 en die van de actrices 2000-2020 bestaat er met betrekking tot de plica-mentalishoek, lip-kin-halshoek, neuspunthoek, neus-voorhoofdhoek, prominentie van de neus, mondspleetbreedte en de cupidoboog.
1875-1900

1925-1950

1975-2000

2000-2020

Afb. 6. Variatie in lip morfologie en hoeveelheid lippenrood door de tijd. Van links naar rechts actrices/modellen Sarah Bernard, Greta Garbo, Joan Crawford en Angelina Jolie.
1875-1900

1900-1925

1975-2000

2000-2020

Afb. 7. Profielvariatie door te tijd: convexiteit, sagittale positie van de kin, prominentie van de lippen en nasolabiale hoek. Van links naar rechts actrices Maude Millet, Ethel Barrymore, Irina Shayk en Angelina Jolie.
Beschouwing
Dit beperkte onderzoek had als primair doel een beschrijving te maken van veranderde ideeën over een aantrekkelijk aangezicht van de vrouw gedurende de afgelopen 150 jaar. Hierbij is gebruikgemaakt van een beperkt aantal geschikte lichtfoto’s van actrices van wie eveneens beschrijvingen van hun uiterlijk voorhanden waren. Dit brengt uiteraard de nodige beperkingen met zich mee.
Ten eerste is de selectie niet alleen gebaseerd op de beschikbaarheid van de afbeeldingen maar ook op het eigentijdse oordeel over de aantrekkelijkheid van de geselecteerde personen. Oppervlakkig gezien voldoen alle actrices en vrouwen uit het Britse onderzoek volgens de hedendaagse normen ruim aan de gemiddelde kenmerken die tegenwoordig gelden voor het aangezicht van een aantrekkelijke vrouw. Des te moeilijker wordt het trends in verandering in de waardering/selectie van de mooiste aangezichten te onderzoeken.
Een andere factor is dat het oordeel over het uiterlijk in alle onderzochte tijdsvakken niet alleen is gebaseerd op statische portretten, maar ook op waarnemingen van de levende actrices/personen. Waarschijnlijk zullen optredens van deze actrices een belangrijke rol hebben gespeeld in het oordeel van hun tijdgenoten. Vooral na 1900 gaat het in deze analyse om filmactrices die men eigenlijk onbeperkt herhaaldelijk in allerhande omstandigheden kon observeren. Toneel- en filmcritici hebben waarschijnlijk met hun beschrijvende recensies bij de algemene oordeelvorming een belangrijke rol gespeeld.
Voor de meeste in dit onderzoek gebruikte foto’s (zeker de oudere) hebben de actrices uitgebreid geposeerd en waren zij waarschijnlijk op hun allerbest ‘gestyled’. De vraag is in hoeverre er een natuurlijke toestand op de foto’s wordt weergegeven. Hierbij kan vooral worden gedacht aan de hoeveelheid lippenrood die aardig kan worden gewijzigd door doelmatig gebruik van cosmetica. Verder kan door de hoofdhouding de kin-halshoek worden aangepast en kan de actrice haar lippen in de meest voordelige stand of positie aanspannen. Ervan uitgaande dat alle actrices dit gemiddeld in dezelfde mate zouden (kunnen) doen, wordt er verondersteld dat deze effecten tussen de verschillende groepen (althans ten dele) tegen elkaar wegvallen.
Een probleem is ook de toch nog betrekkelijk grote variatie binnen de groepen die bijzonder storend kan zijn wanneer, zoals in dit beperkte onderzoek, de onderzoeksgroepen zeer klein zijn. Er is getracht dit probleem te ondervangen door een beperkte voorselectie, waarbij de oorspronkelijke steekproef bestond uit 7-9 personen per groep en vervolgens de 2-3 personen met de meest afwijkende metingen werden geëlimineerd uit het onderzoek.
Ten slotte werden in dit onderzoek alleen metingen vergeleken met een betrekkelijk kleine spreiding en relatief geringe overlap tussen de groepen. Uiteraard was het met een dergelijke kleine bezetting van proefpersonen niet mogelijk om betrouwbare statistiek uit te voeren. De uitkomsten beperken zich daarom tot het aangeven van trends. De metingen die voor alle groepen geen verschillen vertoonden zijn buiten de besprekingen gehouden.
Ondanks de beperkingen kwamen uit dit onderzoek enkele trends naar voren, vooral voor de groep 2000-2020. Deze groep toonde meer lippenrood dan alle voorgaande groepen, vooral in de onderlip, en ook meer prominente lippen. Dit zou erop kunnen wijzen dat er tegenwoordig een grotere voorkeur bestaat voor een meer duidelijk vrouwelijk lippenprofiel met enkele zeer jeugdige kenmerken. Echter, andere kenmerken waarin deze groep zich van de andere groepen onderscheidt lijken op het tegendeel te wijzen. Het gaat hier om de relatief geringe ooghoogte, de bij zijaanzicht ver naar dorsaal doorlopende mondspleet, de relatief langere onderlip en scherpere kin-halshoek.
Ten opzichte van de voorafgaande decennia lijkt het erop dat er na 2000 een lichte voorkeur is ontwikkeld voor wat meer lippenrood van onder- en bovenlip zowel bij voor- als zijaanzicht, wat prominentere lippen, scherpere nasolabiale en kin-halshoeken en een geringere ooghoogte.
Over de gehele bestudeerde periode zijn de volgende trends in de verandering van als fraai beoordeelde gezichten te benoemen: een gestage toename van lippenrood en prominentie van de lippen en een afname van de ooghoogte alsmede een toename oogbreedte en daarmee afname van de hoogte- breedteverhouding van de ogen. Verder werden kin-halshoek en nasolabiale hoek scherper. Deze trend werd vooral duidelijk na 1950 (afb. 5).
De verklaring voor de veranderde waardering van aangezichtskenmerken is niet duidelijk, maar het zou kunnen samenhangen met veranderde sociale concepten. Het schoonheidsideaal van grote ogen, gekoppeld aan de enigszins afwachtende onschuld die aantrekkelijke vrouwen zouden moeten uitstralen, is tegenwoordig wellicht niet meer zo belangrijk. Het hedendaagse ideaal gaat meer in de richting van een zelfstandige ondernemende dame die doeltreffend te werk gaat. Mogelijk worden tegenwoordig in het vrouwengezicht die kenmerken gewaardeerd die wilskracht en doorzettingsvermogen benadrukken. Dit zou zich dan vertalen in een grotere waardering van een meer geprononceerde kaaklijn (in dit onderzoek wel gemeten maar niet in dit verslag opgenomen) en een scherpere kin-halshoek.
De toegenomen voorkeur voor de prominentere lippen en meer lippenrood kan eveneens samenhangen met vergelijkbare sociale veranderingen. De aantrekkelijk gevonden ‘blanke’ vrouw uit het verleden werd waarschijnlijk juist gewaardeerd omdat zij typisch Kaukasische trekken vertoonde en had dus per definitie een vlak profiel met een ontwikkelde kin, weinig prominente lippen en niet te veel lippenrood. Tegenwoordig staat men anders tegenover kenmerken van niet Kaukasische etnische groepen en wordt het aangezicht en bijvoorbeeld het lippenprofiel minder gekoppeld aan persoonlijkheid en persoonlijke achtergrond.
Het is onduidelijk of de voorkeur van de Britse orthodontisten en leken uitging naar vlakkere lippenprofielen met prominentere kin en grotere nasolabiale hoek. Dit blijft onzeker omdat de niet geselecteerde aangeboden alternatieven niet zijn gemeten. Het ging in het Britse onderzoek uit 2005 om betrekkelijk willekeurig geselecteerde vrouwelijke studenten en niet om topmodellen of topactrices. Voor dit onderzoek werden uit die groep vrouwelijke studenten de als mooiste geselecteerden genomen. Als zij zouden worden gedefinieerd als de groep met het meest aantrekkelijke aangezicht uit een gemiddelde West-Europese populatie, dan zou kunnen worden gesteld dat blijkbaar een neutro-profiel met een vlakker lippenprofiel prevaleert boven waarschijnlijk profielen met meer Klasse II-kenmerken. Om dan als aantrekkelijk te worden geclassificeerd is tegenwoordig dus een prominenter lippenprofiel vereist, een relatief smalle neus, een scherpe kin-halshoek, een relatief ver in het profiel naar dorsaal reikende mondspleet met veel lippenrood. Tevens zouden dan de hierboven genoemde kenmerken aanwezig dienen te zijn waarover de aantrekkelijkste studenten al beschikten.
Dit schoonheidsideaal is voor degenen die aspiraties in die richting hebben helaas niet haalbaar zonder uitgebreide chirurgie en zelfs dan is het de vraag of zij de morfologie van de topgroep zullen bereiken. Daarenboven is aangetoond dat aantrekkelijkheid iets zeer betrekkelijks is en zich maar moeilijk in objectieve metingen laat vatten. Daarom kan het best worden besloten met Baudelaires definitie van schoonheid: “iets heel intens maar wel treurig” (Baudelaire, 1869).
Resultaten van profiel- en aangezichtsmetingen bij 6 groepen actrices
Online zijn de uitgebreide bevindingen van de profiel- en aangezichtsmetingen bij de 6 groepen actrices in een addendum te vinden en te downloaden. Dat kan via het online-artikel of scan direct deze QR-code:

Literatuur
* Bates B, Cleese J. Op het eerste gezicht. Haarlem: Schuyt &Co standaard Uitgeverij, 2001. * Bergsma A. Het gezicht, visitekaartje van de ziel. Amsterdam: Uitgeverij L.J. Veen, 1996. * Burstone CS. The integumental profile. Am J Orthod 1958; 44: 1-25. * Baudelaire C. Curiosites Esthetiques (1869). * Cox NH, van der Linden FPG. Facial harmony. Am J Orthod 1971; 60: 175-193. * Edler RJ. Background considerations of facial esthetics. J Orthod 2001; 10: 159-168. * Farkas LG. Anthropometry of the head and face in medicine. Amsterdam: Elsevier-North Holland, 1981. * Farkas LG, Katic MJ, Heckzo TA, Deutsch C, Munro R. Anthropometric proportions in the upper lip-lower lip-chin area of the lower face in young white adults. Am J Orthod 1984; 86: 52-60. * Holdaway RA. A soft tissue cephalometric analysis and its application in orthodontic treatment planning. Part 1. Am J Orthod 1983; 84: 1-28. * Houstis O, Kiliaridis S. Gender and age differences in facial expressions. Eur J Orthod 2009; 31: 459-466. * Hutcheson F (Leidhold W ed.). Inquiry into the original of our ideas of beauty an virtue (1725). Indianapolis: Liberty fund, 2008. * Kant I. Kritik der Urteilskraft (1790). Ditzingen: Philipp Reclam Jun Verlag Gmbh, 1986. * Knight H, Keith O. Ranking facial attractiveness. Eur J Orthod 2005; 27: 340-348. * Liggett J. Het gezicht. Delft: Elmar BV, 1977. * Maltin L, Bredschneyder F. Speelfilm Encyclopedie. Haarlem: Rostrum, 1988. * Merrifield LL. The profile line as an aid in critically evaluating facial esthetics Am J Orthod 1966; 52; 804-821. * Michels H. Uiterlijk schoon. Haardracht en opsmuk door de eeuwen heen. Utrecht: Globe, 1994. * Neger M. quantitative method for evaluation of the soft tissue facial profile. Am J Orthod 1959; 45: 738-751. * Naini FB, Moss JP, Gill DS. The Enigma of facial beauty, esthetics, proportions, deformity and controversy. Am J Orthod Dentofacial Orthop 2006; 130: 277-282. * Pascal B. Pensées (1669). Uit Hammond N. “Blaise Pascal”, in Hastings (ed.0 The Oxford Companion to Christian Thought. Oxford: Oxford University Press, 2000. * Peck H, Peck S. A concept of facial esthetics. Angle Orthod 1970; 40: 284-318. * Ricketts RM. Esthetics, environment and law of lip relation. Am J Orthod 1968; 54: 2272-2289. * Shakespeare W. The rape of Lucrece. 1594. * Stadler W. De beeldhouwkunst. Lisse: R&B, 1996. * Stoner MM. A photometric analysis of the facial profile. Am J Orthod 1955; 41: 453-468. * Subtelny JD. A longitudinal study of soft tissue facial structures and their profile characteristics defined in relation to underlying skeletal structures. Am J Orthod 1959; 45: 481-507. * Tatarunaite E, Playle R, Hood K, Shaw W, Richmond S. Facial attractiveness: longitudinal study. Am J Orthod Dentofacial Orthop 2005; 127: 676-682. * Teylers Museum. Op het eerste gezicht. Haarlem: Lannoo, 2014.
Summary
Variation in the assessment of facial aesthetics of women during the past 150 years
Variation in the assessment of facial aesthetics through time was investigated with the help of measurements of actresses from 1875 to 2020 most widely considered to be beautiful. Measurements were carried out on reasonably standardised profile and frontal photographs. During the length of the period studied, the following trends in changing attitudes to facial beauty were recognised: a steady increase in the redness and prominence of lips, a decrease in eye height and an increase in eye width, and with it, a decrease in the height/width ratio or the eyes. In addition, the chin-neck angle and the nasolabial angle became sharper. This trend was especially evident after 1950. Both the group of actresses from 1875 to 1900 and a group of British female students from 2005 showed a relatively flatter lip profile, a more prominent chin and a larger nasolabial angle. After 2000 a mild preference developed for somewhat more redness of the upper and lower lips both frontally and from the side, somewhat more prominent lips, sharper nasolabial and chin-neck angles and a narrower eye height.
Auteursinformatie
R.B. Kuitert, B. Aydin
Uit de Praktijk voor orthodontie NORTHO in Amsterdam
Datum van acceptatie: 20 oktober 2020
Adres: dr. R.B. Kuitert, E.Rooseveltlaan 130, 1183 CM Amstelveen
orthokunst@gmail.com
Binnen de orthodontie bestaat al heel lang, zij het wisselend, belangstelling voor esthetiek van het gezicht. De laatste 15-20 jaar neemt de aangezichtsesthetiek binnen de orthodontie weer een prominentere plaats in dan daarvoor.